De werkelijkheid, maar dan beter

By | April 6, 2012

Susan Sontag noemt de fotografie de enige ware surrealistische kunstvorm. De stroming die haar roem vooral ontleent aan schilderkunstige special effects van lege straten, misplaatste voorwerpen en de atmosfeer van wachtkamers heeft echter volgens haar de surreële potentie van de fotografie – de meest realistische van alle afbeeldende kunsten – nooit op waarde geschat. “ Het hele fotografische avontuur is gegrondvest op surrealisme omdat het een duplicaatwereld schept, een tweederangswerkelijkheid, die beperkter maar tegelijkertijd dramatischer is dan degene die wij met ons natuurlijk gezichtsvermogen waarnemen.” Surrealistisch is ook de overtuiging dat het onderbewuste zich vooral door toeval en automatisme manifesteert. Het mechanische fototoestel past wonderwel bij dat ontwerp.  Maar wat is er met de komst van nieuwe technieken en mogelijkheden met het  surreële karakter van de fotografie gebeurd?

Foto’s in zwart wit  hebben – zelfs als ze nieuw zijn – een vanzelfsprekend gezag. Met de kleurenfilm verdween deze betekenis die met de sentimentele beschouwing van het verleden verbonden is en kwam er een vooralsnog onduidelijke dimensie bij. Als een foto geen oud licht meer is, wat is het dan wel?  Er lijkt sprake van een behoefte tot verbetering van de werkelijkheid. Bij het aanbreken van het digitale tijdperk stel je je de opwinding van de Vlaamse Primitieven over de nieuwe olieverftechniek voor. Meer nog dan aan het spektakel van de kleurverzadiging lijkt de fotografie geen weerstand te kunnen bieden aan de onwaarschijnlijke scherpte die de computer mogelijk maakt. Tot ver in de achtergrond zijn de blaadjes aan de bomen te tellen terwijl het fijnstof op een achtergelaten voorwerp op de voorgrond hard schittert als diamant. Het zijn dezelfde special effects waardoor het surrealisme van de schilders vaak gemaakt en gemakzuchtig is. Deze fotografie heeft als het ware haar onbewuste surreële kwaliteit verloren.

Met het digitale gereedschap kan onze waarneming – zo is de impliciete gedachte – moeiteloos worden uitgebreid.  De camera ziet als het ware waar het oog naar verlangt. Evengoed lijkt het alsof ons bewustzijn er nog niet klaar voor is want door deze verheviging verliest de beschouwer zicht op het onderwerp en vraagt zich af waar hij naar aan het kijken is.

Wellicht is deze tendens een aanwijzing dat de fotografie afscheid aan het nemen van haar oorsprong die documentair en feitelijk is. Bij de manier waarop foto’s  worden afgedrukt en opgehangen denk je soms dat ze het liefst kunstwerken willen zijn.  Net als schilderijen worden foto’s dan eerst kubistisch en vervolgens abstract. Vergelijk met de gevestigde kunsten geeft ook aanleiding tot een obsessie met schoonheid. En als die missie dringend wordt, rijdt de fotograaf zomaar de doodlopende steeg van het maniërisme in.

J.D.