HERINNERINGEN 1940-1945

By | April 26, 2020

TONN WILLEM MERTENS

***

Voor Cuneke, Josine, Peter en Erik,
voor Noor, Erik Jr, Jurre, Maya, Sanne, Emma en Jelle
en voor wie er volgen.

Het schrijven van memoires doen mensen, die terecht of ook ten onrechte, menen in de samenleving belangrijk te zijn geweest. Het schrijven van dagboeken is het resultaat van een innerlijke drang. Achteraf blijken de schriften in geschiedkundig opzicht soms belangrijk en soms ook kunnen ze beter als waardeloos in de prullenmand. Over de oorlogsjaren heb ik geen dagboek bijgehouden. Memoires schrijven zie ik niet zo zitten.

Anderzijds heb ik ervaren, dat er hoe ouder je wordt nieuwsgierigheid ontstaat naar wat je voorouders hebben gedaan. En wie zij eigenlijk waren. Nu is in mijn leven, voorzover ik het zelf voel zonder er onder gebukt te gaan, de periode ’40-’45 van relatief grote betekenis geweest. Daarom is het, dat ik voor jullie als ons nageslacht, voor ons “familiearchief”, een aantal belevenissen in de oorlogsjaren heb opgeschreven. Het resultaat is te zien als een verbaal fotoalbum. Een feitelijke weergave met hier en daar persoonlijke inkleuring.

Veel plezier bij het lezen – en nooit meer oorlog.

Utrecht, mei/juli 1995.

(AP)PA.

***

| ondergrondse pers | de nieuwsbode | rathenow | archeologie |
Nu, september 2019: Met de 75-jarige herdenking in gang, experimenteel downloadable als e.pub


Herinneringen 1940-1945


Mijn ouderlijk huis in Zwolle had een architect, zo rond 1900, die aanhanger was van de “Haagse tussenbouw”. Dat hield in dat men over drie blauwstenen treden een portiek bereikte met twee tussendeuren. Deze gaven toegang tot een benedenwoning en tot de bovenwoning. En verder betekende het dat de kamers van beide woningen vernuftig over alle verdiepingen waren gespreid. Met dien verstande, dat de benedenwoning een tuin had, die te bereiken was uit de serre via drie treden naar beneden. Maar ook vanuit de half sous terrain gelegen keuken, door twee stappen omhoog te nemen over een gepleisterd stenen trapje. Dan lag achter het huis tussen tuin en ‘het plaatsje’, een cementen bak achter de keuken.

Op 10 mei 1940 stond ik – kort tevoren negentien jaar geworden – om rond zes uur in de morgen in die bak. Ik zag een vooral hoorde overal Stuka’s over het platte dak van het ouderlijk huis komen. Het was oorlog: een woord uit de geschiedenisboekjes. Spannend als een voetbalwedstrijd. Misschien ook wel een strijd tussen goed en kwaad. Een scherp beeld gaf de eerste momentopname niet.


In de loop van de dag kwamen de stoottroepen: jonge Duitsers in grauwgroen uniform op motorfietsen met zijspan. Vreemde helmen met een gebogen rand. Op die grijze helm aan de ene kant een driekleur van het Vaterland en aan de andere een adelaar met somber hangende vleugels met in de klauwen een hakenkruis. Hitler was tot mijn eigen Zwolle doorgedrongen.

Verbijsterend snel. Maar aan de IJssel zou de vijand – want dat waren de Duitse jongens wel min of meer – worden tegengehouden. Zei men.

Alle bruggen over de Willemsvaart, die de IJsel met de Zwolse stadsgracht verbond, waren onklaar gemaakt. De Kamperpoortbrug, de Keersluisbrug, de Veeladingbrug en ook de spoorbrug in het Kamperlijntje, vlak voor station Veerallee, was door het reeds teruggetrokken eigen leger opengedraaid en onklaar gemaakt.

Hangend op de spoorbrug en half in de Willemsvaart gestort een locomotief, waarvan de fluit nog onheilspellend en angstwekkend in werking bleef, toen de eerste motor met zijspan over de Willemsvaart werd gezet met het kennelijk vergeten pontje van Tinus bij de Westerlaan. Drie met takken gecamoufleerde Duitsers wisten de weg naar de IJssel. Pontkabel opgelierd, trapje met de motor en al af, met de houten klos het pontje naar de overkant trekken, trapje op en “los, Mensch, Los!” Ik dacht ze kunnen zo de strijd wel winnen.


Rond de 20-er jaren kende de “Zwolsche Roei- en Zeil-Vereeniging” een subclub van feestroeiers : het Syndicaat. Daarvan waren lid mijn in Zwolle geboren moeder en mijn vader, die rond de eeuwwisseling het roeien had geleerd als lid van Gothia. Dat was iets van het studentencorps der “Prinzenuniversität” Bonn. Van het Syndicaat was ook lid een zekere Nel. < … >. Haar dochter Yvonne was van mij een leeftijdgenoot.

Dat die textielbaron in de oorlog wollen stoffen aan de Wehrmacht ging leveren en het grauwgroene restant na de bevrijding in 1945 liet zwart verven om het vervolgens aan de katholieke clerus te slijten is hier minder van belang.

< … >

Toen ergens in de eerste bezettingsjaren Yvonne meerderjarig werd < … > kwam ik terecht in het destijds fameuze Bosch van Bredius. Als een, Goois gezien, provinciaal aan de bar in een zaak met meer de allure van “hi(gh), society” dan het toen eveneens beroemde Larense Hamdorff. En zeker ook dan Jan Tabak.


Aan die bar in Bredius een Duitse vliegerofficier: in witter dan wit zomeruniform á la Goering, gekleurde lintjes met blik op de plaats van de borstzak. We dronken champagne.

Glauben Sie dasz Sie im Krieg gegen England bald siegen?” Een snelle slok. “Ja. Wir werden siegen. “ Ik aarzelde even: “Wissen Sie, unsere Königin ist in England. Ich möchte sie wäre bald wieder in Holland. Um ihren Geburtstag zu feiern. “ Hij pakte zijn glas en zei met toch duidelijk enige afgunst: “Ja, es lebe die Königin!” Wij proostten.


* * *

De twijfel kwam niet veel later. Langs de Veerallee werd een louter angst en ellende uitstralende groep mensen, vooral oudere mannen en vrouwen, naar de Veeladingbrug gevoerd. Zij zagen er schamel uit. Strompelend en huilend op weg naar veewagons met onbekende bestemming. Rieten koffers en kartonnen dozen, samen gebonden met touwen, zeulden ze mee. Dierbare bezittingen waarschijnlijk. De colonne joden werd door Duitsers begeleid. Niet in de grauwe uniformen van de Wehrmacht, maar in het groen van de Polizei. Ben Q. en ik zagen de stoet voorbij trekken. Dit kón niet, verdomme, dachten we. En we namen van een paar ouderen de koffers over. Toen kwam uit een groene Volkswagen, die achter de colonne reed, een in nog groener uniform met glimmend leren koppel geklede officier. Hij liet ons beiden in de kraag grijpen en sloeg ons met zijn losse leren handschoenen op de achterbank van zijn auto. “Wenn Sie die Juden helfen gehen Sie mit den Juden mit. “ Het werden slechts twee dagen politiecel in Zwolle. Verontruste ouders en hun relaties zorgden voor vrijlating.


beeld: Joodse Zwollenaren lopen hun dood tegemoet


Naast de rol closetpapier had mijn vader in het ouderlijk huis een haak voor de handdoek geschroefd. Zo leek het. Trok je die haak echter naar voren dan werd in de grote muurkast in de slaapkamer de vloer ontgrendeld. Loze wandruimten waren er veel in de ‘Haagse Tussenbouw’. Onder de muurkast een even zo grote ruimte. Daar kon je met een trapje afdalen en naar de Engelse zender luisteren.

Aan de muur landkaarten met vlaggetjes, die het wisselend front aangaven. Boven het toilet ook nog zo’n loze ruimte waarin het koper was verstopt. Want de Duitsers vorderden voor hun oorlog niet alleen fietsen maar ook metalen. Voor hun geschut, zei men.

In de tuin geen bloemen meer. Maar aardappels en tabaksplanten. De distributiebonnen voor levensmiddelen en tabak gaven onvoldoende. Alleen al het idee, dat je niet vrij en onbeperkt kon kopen, gaf je het gevoel dat je niet genoeg kreeg.


Zeker in de eerste oorlogsjaren ging het leven eigenlijk gewoon door, ook met feestjes. Leefde we daarin het gevoel van beperking van vrijheid uit? Het waren in elk geval wat wilde feestjes, waarbij de voor-oorlogse restanten van de ouderlijke drankvoorraad werden aangesproken. In die tijd, om precies te zijn 10 januari 1942, leerde ik op een nieuwjaarsfeest op Berkenheuvel een klasgenote wat beter kennen. Een fotootje van haar, soms op onmogelijke plaatsen verstopt, heb ik tot de bevrijding meegedragen.


Toen de fietsen moesten worden ingeleverd heeft mijn vader gewacht tot zijn herenrijwiel op straat door een Duitser werd afgepakt. Desgevraagd deelde de Ortskommandant mijn vader mede dat “bald am ende des Krieges” iedere Nederlander zijn fiets terugkreeg.

In april 1945 toen de geallieerden vlak voor Zwolle stonden, ging mijn vader naar de Ortskommandant en vroeg zijn fiets terug. “Der Krieg us wohl bald zu Ende”. En verdomd, hij keerde terug met een damesfiets.


Sommige verliezende Duitsers werden panisch gemeen. Ander trachtten zich kennelijk te zuiveren. Zo ook de Feldwebel, die hielp het huis te ontruimen van een gearresteerde collega van mijn vader. De laatste vroeg clementie voor de achtergebleven vrouw van de verzetsman.

De Feldwebel: “Ich habe den Krieg auch nicht gewolt. Ich möchte er wäre vorüber”. Waarop mijn vader zijn rechterarm hief in de Hitlergroet en zei, “Sie machen immer so”, hief ook zijn linkerarm an adviseerde de feldwebel: “Wenn Sie er aber so machen ist der Krieg zu Ende”.

Reactie uiteraard mee naar de politiecel. En weer vrij door zijn Duitse bewaker, die met syfilis niet meer naar zijn legerarts durfde, een verwijsbriefje voor een Zwolse huisarts te geven. Tegenprestatie: celdeur niet op slot.


* * *

De oorlog bleef wel op de achtergrond dominant aanwezig. Zouden de Duitsers in Afrika winnen? Staken de geallieerden de Noordzee over? Of toch nog doen de Duitsers, die bleven zingen: und wir fahren, und wir fahren gegen Engeland.

Ik moest voorzichtig zijn, want de Duitse slogan “Feind hört mit!” was meer op de Nederlanders van toepassing. Het ging daarbij niet om de Duitsers alleen, maar mede om de “foute” Nederlanders. Zo was ook het lerarencorps verdeeld. Er waren de “goeden”, die op fluisterende toon ons gymnasiasten op de hoogte brachten van het nieuws van radio Oranje en verboden Engelse zenders . Maar er was ook een leraar Frans, die als vlaams activist in de Eerste Wereldoorlog wegens collaboratie met de Duitse vijand in België al ter dood was veroordeeld.

Dan was er een leraar scheikunde, die in Italië zo onder de indruk van Mussolini en zijn zwarthemden was gekomen, dat hij in 1940 prompt het zwarte NSB-uniform aantrok. Deze stond op het perron, toen ik – al in de illegaliteit verzeild – eens in Zwolle moest overstappen. Op weg naar Nijeveen om bij de burgemeester bonkaarten voor onderduikers te “organiseren”. De man heeft zijn oud-leerling niet gezien. Niet willen herkennen?


Een “goede” oud-lerares waarschuwde me in februari 1943, dat het beslist noodzakelijk was om onmiddellijk onder te duiken. Ik kwam de eerste dag tot Heerde. Daar Yvonne gebeld met de vraag of zij een veilig adres in Brabant wist. Waarom Brabant? Toch wel omdat in mijn achterhoofd zat, dat echt wég betekende via België naar Zwitserland zien te komen. Yvonne wist een adres: bij een boer in Laag Heukelom, een gehucht bij Berkel-Enschot en dus niet ver van haar geboorteplaats Tilburg. Een nijver katholiek gezin van man, vrouw en dochter, “ons” Rika.

Zelf gebakken ronde broden van half rogge en half tarwe, die de boerin tegen de borst klemde om er grote plakken van te snijden. Zelf gekarnde boter. En gerookte ham uit de schoorsteen boven het ijzeren fornuis. Als onderduiker had ik daar geen distributiebonnen nodig. De warme maaltijd was het hoogtepunt: een grote pan met aardappelen en bonen werd door Rika midden op de tafel gezet en daar prikten we gezamenlijk uit. Het gebed was dan al gedaan. Rika was daarin voorgegaan onder het afgieten van de aardappelen. Veel Onze Vaders en Weest gegroetjes, met speciale bede voor het zieleheil van met name genoemde overleden ooms en tantes.

En voor degenen “die in de laai liggen.“ Ik vroeg Rika of dat het vagevuur was, want bij katholieken dacht je daaraan. Maar Rika trok de onderste lade van een oude boerenkast open. Deze lag boordevol bidprentjes. De overledenen werden op voor Onzen Lieven Heer ongetwijfeld herkenbare wijze gezamenlijk in de aandacht aanbevolen.


Mijn eerder bedoelde klasgenote van het fotootje, met wie ik na de oorlog zou trouwen, heeft me in Laag Heukelom een keer opgezocht. Zelf had Cuniera tijdens een college Spaans inmiddels een Duitse inval meegemaakt: Handen omhoog en tegen de muur. De universiteit werd gesloten voor studenten die geen “loyaliteitsverklaring” hadden getekend. Kortom, de ontmoeting in Brabant was verliefd zijn. Iets samenzweerderigs.

Meer dan tevoren was ook voor ons de bezetter een te bestrijden vijand geworden. Door Cuniera’s bemiddeling kreeg ik van de uiteraard reeds afgezette Commissaris van de Koningin, van wie de dochter een studievriendin was, een valse identiteit. Een nieuw persoonsbewijs. Van nu af aan was ik Karel Anton Koster, wonende te Zeist aan de Wieldrechtlaan. Die tweede voornaam was gekozen om bij een toevallige ontmoeting van oude bekenden die me met mijn oude voornaam zouden aanspreken. Bij ondergrondse activiteiten echter simpel Karel Koster. Die naam had ik dus ook toen ik vond dat het verblijf op de keuterboerderij lang genoeg had geduurd. Ik verveelde me. Op een postkantoor zag ik een man die met een groot aantal dubbeltjes betaalde.

Het bleek Emile Karoly te zijn, de schoonzoon van de directrice van een circus. Emile werkte daar en betaalde met de opbrengst van het laten bezichtigen der stallen. Een kort gesprek en ik was aangenomen als muzikant en assistent vrijheids-dressuur in het circus Van Bever.

Hitler was niet alleen verzot op Wagneriaanse opera’s, hij was ook een circusfan: alles wat maar pompeus was of gekenmerkt werd door klatergoud. Als onderduiker zat je in een circus dus redelijk veilig. Zo gezien wel. Maar in april 1943 had ik het er toch even benauwd. We stonden met de tent op het terrein van Philips in Eindhoven. Na de voorstelling helpen opruimen en dan vermoeid gaan slapen in de circusstal, op de balen hooi achter de paarden. Van dat slapen kwam niets. De geallieerden hadden die nacht uitgekozen om de Philipsfabrieken plat te gooien. Duits geschreeuw: “Licht aus!, Licht aus!”.

Een hels lawaai van de vallende bommen. Daarbij onafgebroken geratel van het Duitse afweergeschut. Voortdurend flitste het licht door de donkere paardenstal. De angstig geworden dieren braken los. In de flikkeringen zag ik de glimmende paardenlijven langs me glijden. De hengsten zochten steigerend de merries op. Ik dreigde te worden vertrapt. De eerste keer dat ik mee in de oorlog toch niet echt op mijn gemak voelde.

Van Bever gaf een paar voorstellingen in Utrecht. Niet alleen mijn strijkstok, maar ook mijn hoofd stak boven de rand van de orkestbak uit. Cuniera zat onder het publiek. Een blik van herkenning. Maar het moest geheim blijven. Ik balanceerde op de rand van overmoed. Maar het leven ging door: ik kon wel ondergedoken en ‘illegaal’ zijn, dat veranderde uiteraard niets aan mijn verlangen met haar samen te zijn. Zij week geen moment uit mijn gedachten.


* * *

Het kreeg iets van een spannend jongensboek. Een mengeling van avontuur en romantiek, gedekt door de overtuiging aan de goede kant te staan en daar ook iets aan te willen doen. Die Duitse bezetter zou spoedig door de geallieerden uit ons land worden gegooid, maar in afwachting daarvan moesten we toch eigenlijk ook zelf iets ondernemen.

In elk geval de onderduikers helpen met bonkaarten en door het verspreiden van Londense berichten het verzet steunen. Het zou niet lang behoeven te duren. Als het niet in het voorjaar 1943 was, zou toch zeker voor Kerstmis ons land worden bevrijd. Goed, misschien kom het uiterlijk voorjaar 1944 worden. Zo dachten de meesten, ook ik, want hoop doet leven.

Als aan het eind van de voorstellingen in het circus Landwachters “ausweise” kwamen controleren dan trok ik samen met een andere onderduiker het laddertje van de orkestbak op en riep de verraders toe “Hier alles in Ordnung!”. Dat werd oor die mannen dan geloofd. We maakten gebruik van Hitler’s waanidee dat circusmensen vrienden waren. Kortom, de gedachte “we zullen ze krijgen die moffen en hun vrienden” werd geleidelijk overheersend. Daarnaast kreeg ik een sterk verlangen om in Utrecht, in feite weer vlak bij Cuniera te zijn.

Na een toevallig contact met een vroegere klasgenoot, die in Utrecht actief in het verzet was, heb ik het circus verlaten. Ik vond dankzij Cuniera een onderduikers adres vlak bij haar eigen huis. Bij een ijzersterke dominees-weduwe die een groot aantal jonge mensen onderdak bleek te geven.

Via een van hen kwam ik op een nog veiliger plek: als broederportier in het Utrechts Diaconessenhuis. Temidden van een honderdtal oudere zusters met plooimutsen op het hoofd en jongere met in plats daarvan een soort gesteven gebaksdoosje. Ik, in witte jas, met rood geborduurd K.A.K op de binnenkant van de kraag: Karel Anton Koster. Professioneel dienst doen als portier en nachtwacht. Ook moest ik het orgel vol lucht trappen voor de zondagse kerkdienst.


En verder nieuws luisteren van Radio Oranje uit een kleine ontvanger onder mijn bed. Moeilijk te ontvangen door de Duitsen stoorzender. Dus ’s nachts uren blijven luisteren. Alles opschrijven en doorgeven aan mijn vrienden van “de Nieuwsbode” de ondergrondse groep van twaalf – els jongens en één meisje – waarvan ik inmiddels deel uitmaakte.

Toen de verspreider van ons blad, een werkeloze senaatsbediende, door de bezetter was gearresteerd, leek het veiliger om Utrecht te verlaten. De groep ging naar Amsterdam, waar sommigen de studie aan de Vrije Universiteit hadden afgebroken. De Nieuwsbode werd inmiddels niet meer gestencild, maar op de pers gedrukt. Daar waren we trots op.

In Amsterdam zat het “hoofdkwartier” van De Nieuwsbode spoedig op  een uitstekende plaats. Gewoon huis in een nette buurt: Minervalaan.

Rechts vrij vooraan, niet ver van het Minervaplein. Toen nummer 25. Dagelijks de krant samenstellen, vergaderen over de mogelijkheden van verdere distributie via betrouwbare medewerkers, over het inzamelen van geld voor onderduikers. Mijn slaapadres, dat eerder bij mijn toekomstige schoonvader arts in het artsenverzet op de Weteringschans was geweest, werd de Agamemnonstraat. Links vrij vooraan. Toen nummer 49, geloof ik. Drie hoog. Later verhuisde ik naar de Overtoom, hoek 1ste Constantijn Huygensstraat. Dat zou het laatste adres in vrijheid worden.

In de Agamemnonstraat had ik samen met Wim, vroeger Zwolse klasgenoot, een luisterpost voor De Nieuwsbode. Dat was een goede naam voor het krantje met inmiddels een oplage van rond de 2000. De afkorting, die we ook onder elkaar gebruikten, was namelijk DNB.

Hoe komt U aan dat bericht? Antwoord: DNB. De officiële afkorting voor het Deutsche Nachrichtenbüro in Berlijn.
Trots was ik in gotische letters de kop voor de krant te hebben getekend.
Bovendien hoefde ik niet meer telkens de naam op een stencil in te krassen.

Een probleem veroorzaakt door de verhuizing van Utrecht naar Amsterdam was wel, dat het loden zetsel voor De Nieuwsbode werd gemaakt in Amsterdam en het drukken nog in Utrecht plaats vond. Dat betekende elke maand een transport met veel risico per trein. Zo kon het gebeuren, dat ik met een letterlijk loodzware tas door de perroncontrôle in Utrecht ging en op de vraag van een Landwachter wat er wel in die tas zat “Levensmiddelen zeker? de tas van onderen met mijn linker hand tegen gewichtscontrôle opdrukkend met een louter uit zenuwen geboren lach antwoordde: “Nee, bommen. “

Waarna die Landwachter mij grijnzend doorliet. Goede grap om zo wat aardappels te smokkelen, dacht hij waarschijnlijk.


De Minervalaan en de Agamemnonstraat lagen niet ver van de Euterpestraat, later Gerrit van der Veenstraat. Daar was het kantoor van de Sicherheitsdienst (SD) gevestigd. Op een geheimzinnige manier was er een vertrouwelijk contact met een “goede Duitser” daar. De broer van Wim, die in feite als leider van De Nieuwsbode optrad en ook als zodanig in verbinding stond met mensen van De Waarheid, de krant van de communisten, en met een paar andere ondergrondsen, de latere LO-KP, de landelijke organisatie van onderduikers en knokploegen, vertelde er over. Het verhoogde de spanning. Maar die spanning werd nog hoger toen er op een avond in de “spertijd” bij ons in de Agamemnonstraat werd gebeld. Het was al tegen twaalf en Wim en ik waren er van overtuigd, dat het een Duitser moest zijn.

In de donkere straat zagen we een Volkswagen voor de deur. We besloten te laten bellen en na het te verwachten intrappen van de voordeur een vluchtpoging te doen onder Indianengehuil en een oproep van “jongens, allemaal!”. Na herhaald bellen werd door een onbekende op een etage hoger de deur geopend. “Hallo, ist da Fraülein Sjiepers?” Nee, woont hier niet. Misverstand, bang voor niets.


***

In de eerste week van maart ‘44 bezorgde ik een stapel Nieuwsbodes bij “onze man in de Achterhoek”. Om precies te zijn in Zelhem. Terug per trein via Arnhem met op zak ruim ƒ 1100.- aan giften voor het goede doel. En verder ook nog één exemplaar van het krantje. Dat was bestemd als proefexemplaar voor een nieuwe contactman in Wageningen, die ik op station Ede zou ontmoeten. Maar zover kwam het niet. Toen ik op het punt stond uit de trein te stappen werd me toegeroepen: “Hande hoch! Das Spiel ist aus. Sie reisen nicht weiter nach Amsterdam, sondern gehen mit nach Scheveningen.“ Het was een miezerig mannetje met een pistool in de hand. Gewoon in burger. Zijn Duits leek me niet helemaal in orde en ik sloot niet uit, dat het een Nederlandse landverrader was. Al had hij fraai Sjeeveniengen gezegd. Maar hoe dan ook, ik was gearresteerd. De mogelijkheid waarmee altijd rekening was gehouden, maar waarin ik toch niet wilde geloven, was werkelijkheid geworden. Persoonsbewijs inleveren. “Dachte ich schon, falsch”. Met een superieure grijns deed de man of hij een blad kon splitsen met zijn nagels. Het kon poker zijn, maar ik vond het toch nutteloos om vol te houden dat ik Karel Koster heette en gaf mijn werkelijke naam. De enveloppe met geld had ik meegenomen van een onbekende man, die misschien wel in de zwarte handel zat. Je kon nooit weten, maar ik had er niets mee te maken. Het geld was bestemd voor een eveneens onbekende – en dat klopte – die ik in Ede zou ontmoeten. Jammer, nu had de trein net Ede verlaten. Dat krantje had ik in de trein gekregen van iemand die, verdomme, dat is nou jammer net was uitgestapt. Mijn nieuwe persoonlijke vijand maakte wat aantekeningen. Liet blijken dit soort verhalen wel te kennen en leverde me in Utrecht af in een transitopolitiecel. In Sjeeveniengen zou de SD het wel verder uitzoeken.

In de trein naar Den Haag zat ik de volgende dag geboeid op transport tegenover mijn bewakers. Twee Nederlandse politiemannen.

Zij gaven de indruk het met hun opdracht wel wat moeilijk te hebben. Zeker de jongste van de twee. Hun kennelijk gevoel van twijfel werd gestimuleerd door een tweetal dames in dezelfde coupé. Deze keken met meewarige blik naar ons. Zo van guttegut, moet je nou toch eens zien, wat een tijden. Daarna zijn zij naar buiten blijven kijken. In de tram van Den Haag naar Scheveningen zat ik ongeboeid. Was anders te lastig, zei de jongste bewaker. En hij gaf met een hoofdknik aan, dat als ik uit de tram zou springen er van hem geen gevaar te duchten viel. Ik aarzelde, maar vond vluchten toch te riskant. Wat zou mijn oudere bewaker doen? Bovendien elke willekeurige Duitser zou gealarmeerd door een foute trampassagier op me kunnen gaan schieten. Wel woonde er een oom in Den Haag, maar om die te bereiken leek me kansloos. Zo hobbelden we verder naar de Scheveningse gevangenis, het “Oranjehotel”. Administratief ingeboekt.

Het was gang F, cel 706 geworden.

Cel 706 was vier meter lang en twee meter breed. Precies zoals Jan Campert dat ook gedicht heeft in De Achttien Doden. De eerste dagen zat ik alleen. Einzelhaft. Na twee dagen werd ik opgehaald voor verhoor. Het ging duidelijk om administratieve gegevens. Naam, voornaam, geboorteplaats en dergelijke. Ook wat vragen over mijn opleiding en over mijn familie en kennissen. “Was macht denn der Vater?” “Er ist Lehrer, Studienrat. “ “Also, er hat studiert.” Simpele erkenning: “Ja. “ “Was hat er denn studiert?” “Philologie”. De SD-er keek me schaapachtig aan en ik verklaarde hem nader:”Sprache”. Waarop hij: “Welche Sprache?” “Die deutsche Sprache.”

“Vol ijver bleef hij doorgaan met het maken van aantekeningen voor zijn proces-verbaal en mompelde: “Auch das kommt noch dazu. “ De volgende vraag: “Wo hat er denn studiert ?” “In Bonn. Wenn Sie wollen: an der Prinzenuniversiät. “ Wederom driftig geschrijf en de onvergetelijke uitroep: “Auch das kommt noch dazu. “ Na deze eerste kennismaking met de wijze van verhoor door de SD mocht ik terug naar mijn cel. Ik zou binnenkort opnieuw worden opgeroepen voor een verder verhoor.

Maar het wachten daarop duurde lang voor me. Alleen in een cel was onder de gegeven omstandigheden enerzijds niet zonder spanning, maar anderzijds geestdodend.

Dat leidde er toe, dat ik de kennis die ik van Morse-seinen bij De Nieuwsbode had opgedaan op een dag ging gebruiken door op de verwarmingsbuizen te kloppen. Ik had eerder het vermoeden gekregen, dat die door andere gevangenen voor communicatie werden gebruikt. Als ik op mijn brits stond met het oor tegen de buizen was er iets te horen. En toen ik mijn signalement had gegeven seinde een medegevangene, die me kennelijk tijdens het dagelijkse zwijgzame kwartiertje luchten op de binnenplaats had gezien “Maul halten!”-, onmiddellijk terug:
d-a-n b-e-n j-ij d-i-e v-e-n-t v-a-n w-i-e w-e d-e-n-k-e-n d-a-t h-ij v-o-o-r z-ij-n l-o-l z-i-t .

Na een paar dagen kreeg ik een medegevangene in mijn cel. Om de een of andere reden vertrouwde ik hem voor geen cent. Hij stelde veel te veel vragen en bleef duister omtrent zich zelf. Ik dacht, dat het een pseudo-gevangene van de SD was, die moest trachten om me uit te horen. Daarom beperkte ik de discussie zoveel mogelijk tot de vraag of de dekens op onze bedden wel goed genoeg in de plooi waren opgevouwen om de dagelijkse inspectie te doorstaan.

En de vraag hoe we konden bereiken, dat onze in de hoek van de cel geplaatste poepemmer zou worden geleegd. Ik was blij dat mijn celgenoot korte tijd later werd opgehaald en niet meer terugkeerde.

Alleen achter gebleven begon ik toch maar de dagen op de muur te turven. En verder hield ik me bezig met het bedenken van het beste verhaal om bij het volgend verhoor aannemelijk te maken een onnozele student te zijn, die te bang was om iets illegaals te doen.

Wellicht het basisgedrag van elke gevangene: dagen turven en je voorbereiden op de verhoren.


Hij zat wat nerveus achter zijn bureau. Zo leek het tenminste. Hij bladerde in een dossier. Links achter hem, aan een apart tafeltje met een schrijfmachine, zat een secretaresse die ervaring uitstraalde. Zij keek naar mijn ondervrager met een blik van nieuwsgierigheid hoe hij het er af zou brengen. Na nog even mijn persoonlijke personalia te hebben geverifieerd plakte de kleine SD-er, een jonge vent, een stuk uit het dossier, legde het met een weids gebaar voor mij neer en zei: “Herr Mertens, sagen sie mal, woher haben Sie diese Zeitug?” Voor mij lag een exemplaar van Je Maintaindrai. Ik was verbijsterd. Die krant had ik niet bij me gehad, dus antwoordde ik, “Dieses Zeitung habe ich noch nie gesehen”. Waarop mijn ondervrager: “Fangen Sie blosz nicht an alles zu verneinen.” Ik volharde echter bij mijn ontkenning ‘nie gesehen’.

Toen kwam hij achter zijn bureau vandaan en pakte me bij mijn strot onder mijn hemd. Uit een reflex deed ik hetzelfde bij hem. Per slot van rekening was hij een stuk kleiner. De secretaresse keek met grote ogen, zo van, dit kan uit de klauwen lopen. De SD-er bleef mij vasthouden en met rode kop bracht hij uit: “sie Raudi-frecher Hund!” Hij liet me achteruit lopen tot ik met de rug tegen de muur stond. Maar ook ik hield vast en duwde hem op mijn beurt achteruit tegen de andere muur. Toen hij weer. Het begon met die ingehouden grote passen op een vurige Spaanse paso doble te lijken. De secretaresse gaf een gilletje en verliet de kamer. Die gaat hulp halen dacht ik. Maar mijn danspartner gaf het vroegtijdig op, liet met los en verliet eveneens opgewonden de verhoorkamer.

Onmiddellijk keek ik in mijn dossier. Niets bijzonders over andere medewerkers van de Nieuwsbode. Ook geen exemplaar van de krant. Ik zat net weer netjes op mijn stoel toen er een andere SD-er de kamer binnen kwam. Een hogere zo toe zien. Hij woof de andere man toe die wilde binnenkomen meteen weg.

Ach herr Mertens, was ist denn los? Rauchen Sie?” Ik accepteerde met graagte de aangeboden sigaret. Ook om wat te kalmeren. Opnieuw werd me Je Maintiendrai voorgelegd. Nu keek ik wat beter naar het blaadje en zag dat het om een nummer van media maart ’44 ging. Met een gevoel van triomf zei ik weer de krant nog nooit gezien te hebben. Kijkt u maar, het is de krant die is gedateerd na mijn arrestatie op 3 maart. Hij nam het blaadje terug en van zijn gezicht was te lezen dat “verdammt’ de administratie niet in orde was. Toen dan ook mijn eerdere ondervrager opnieuw een poging deed om bij het verdere verhoor aanwezig te zijn werd deze met een nog grotere Schnauze de kamer uitgeblaft. En tegen mij werd de baas nog hoffelijker. “Entschuldigung, hier stimmt etwas nicht.” Ik kon weer terug naar mijn cel en zou voor een nader verhoor worden opgeroepen.


Het volgend verhoor duurde lang. Het draaide om de vraag of ik lid was van een ondergrondse organisatie. Ach, als ik als onnozele student onbewust ergens bij betrokken was geraakt, dan zou me dat niet persoonlijk erg kwalijk worden genomen. Dan kon ik gewoon als elke andere student de Arbeitseisatz in. Werken in Duitsland. En een vrij leven. Maar ik moest wel vertellen wie de terroristen waren, die me een valse Ausweis hadden verstrekt. En van wie ik al dat geld had gekregen. Het verhoor ging uren door. Uiteindelijk bekende ik: het was allemaal een zekere Frederiks om wie het draaide. “Ich buchstabiere: F wie Fritz, R wie Rainer, E wie Erich, D wie Dieter, wieder der Erich” en zo verder. Tijd winnen om te kunnen nadenken voelde ik wellicht net als een echte crimineel als uitermate nuttig. Op de vraag om een beschrijving von dem Friederichs, de spelling van de naam had maar half gewerkt, te geven gaf ik mijn eigen signalement. Met de gedachte: als slaan ze me rot, die beschrijving kan ik altijd herhalen. Bij mijn ondervrager ging geen lichtje branden. Hij zuchtte slechts begrijpend, toen ik er nog aan had toegevoegd, dat Frederiks mogelijk eigenlijk geen Frederiks heette, omdat hij het type van een student was net als ik en misschien evenals ik beschikte over een vals persoonsbewijs.

Leven in een cel daar wen je aan. Wel geestdodend. Vaste tijden voor het door het luikje in de deur aangereikt eten en voor het dagelijks kwartiertje luchten. Na enige tijd mocht ik boeken lezen. Vestdijk en Fabricius, “Nadagen van Pilatus” en “Komedianten trokken voorbij”. Bij de keuze liet ik me leiden door relevante titels.

Maar ook koos ik van Sohm “das Römische Recht”. Een dikke pil. En na lezing –moeilijk, moeilijk, maar in de gevangenis heb je de tijd- ging ik  overwegen de veterinaire studie na de bevrijding op te geven en rechten te studeren.
Net als Cuniera.

De conclusie uit de verhoren was kennelijk geweest, dat ik niet erg staatsgevaarlijk was. Ik kreeg tenminste twee celgenoten. Drie man op acht vierkante meter. Plus drie bedden, een tafeltje en een toiletemmer. Een oudere sergeant-majoor en een jongen, die onder het eerste pissen in de emmer omstandig uitlegde, dat hij weliswaar besneden was maar geen jood. Hij leek er wel op. Om de tijd te doden speelden we schaak met van toiletpapier gemaakte stukken.

Toen ik na enige weken weer einzelhaft in mijn cel zat, omdat mijn celgenoten inmiddels voor een verhoor waren opgehaald en daarna niet teruggekeerd, kreeg ik ongevraagd bezoek van de gevangenisarts. Hij suggereerde me allerhande gebreken. Tot en met TBC aan toe. Volgens de dokter –later heb ik gehoord: een studiegenoot van Cuniera’s vader, NSB-er, maar toch- was het beter voor mij om in de buitenlucht te zitten en niet in een cel.

Een paar dagen later werd een nader verhoor uitgesteld en begin juni ’44 ging ik met zeven andere gevangenen op transport naar Vught, KZ Herzogenbusch. De inspanningen van Cuniera hadden resultaat gehad. Uit de boevenwagen wierp ik door een spleet een briefje voor de familie:
Ben op weg naar Vught.


NETHERLANDS – MAY 01: Vught German Concentration Camp In Netherlands On May 1945 (Photo by Keystone-France/Gamma-Keystone via Getty Images)


***

In Vught aangekomen werden we -gezicht naar de muur, Hände hoch -uren alleen gelaten in de rood-stenen poort van het hoofdgebouw.

Ik voelde echter de SS-ers achter me. Wat stond me te wachten ?

Na eindelijk te zijn ingeboekt werd ik naar een barak gebracht.

Block 14, vlak bij de appèlplaats. De capo wees me een bed aan. Drie hoog houten stapelbed met stro. Bovenste. Ik werd ingedeeld in een buitencommando. Een groep gevangenen, die dagelijks via de poort buiten de dubbele prikkeldraadomheining van het kamp werd gebracht. Bewaakt niet langer door de SS-ers in de wachttorens in de elektrisch beveiligde omheining, maar door mee uitrukkende goed bewapende SS-ers met honden. Mijn eerste taak werd meehelpen aan de bouw van een Lazarett, een militair hospitaal. Kruiwagens zand omhoog duwen. Daar was ik niet zo goed in. Toen mocht ik metselen en voegen. Ook dat vak kreeg ik niet onder de knie. Met als gevolg, dat ik werd overgeplaatst naar de Kabelleger. Opnieuw in de buitenlucht en het was prachtig zomerweer. Dankzij het thuisfront ontving ik zo veel luxe bijvoeding via het in Vught nog goed functionerende Rode Kruis, dat ik na het verblijf in de Scheveningse cel weer in uitstekende conditie kwam. Ik kreeg het gevoel van “geniet van zon en buitenlucht in het schone kamp van Vught. “Van mijn SD-ers hoorde ik niets meer. Een SS-er zei me, dat ik voor onbepaalde tijd in Schutzhaft zat. Ik was niet tot een straf veroordeeld, maar wel moest het Reich tegen mij beschermd worden.

In het kamp stond een werkbarak voor Philips. Dat bedrijf trachtte door het uitbesteden van priegelwerk aan de gevangenen hun verblijf – met name van de vele academici – te verlichten. Het commando van de Kabelleger moest een sterkstroomkabel van die barak naar Den Bosch leggen. Na het eindeloos appél per Block in de vroege ochtend dat de Lager Älteste met zijn capo’s voorbereidde voor inspectie door de Lagerführer, een SS-dégénéré met baby-face, rukte ik schop over de schouder uit om met een twintigtal medegevangenen de meter diepe grup voor de kabel te graven. Ook daarin was ik niet zo goed. Blij, dat een Hollandse SS-er -een “Hundeführer” mij uit het commando haalde. Hij had gehoord, dat ik vrij vlot met Duits overweg kon en stelde mij aan als Dolmetsch van de ploeg. Snel bleek, dat hij – D-day was net geweest – rekende op een nederlaag van Hitler. Hij wilde vast Engels leren. Verscholen achter een berg hooi heb ik hem, op mijn gemak zittend in de zon met de hond naast ons, geholpen met de lessen uit zijn stiekeme schoolboekje. Maar toen de kabel door een rivierachtig kanaal moest worden gelegd was ik weer bij de groep. Zwemmen met een schop in de hand om auf Befehl een groeve door de bodem te maken…

En toen de kabel kon worden gelegd marcheerden zo’n twintig gevangenen, één-twee-hup de kabel op de schouder, naar de waterkant. In ganzenpas. Eerst het gestreepte jasje uitgewurmd. En toen ook de broek. Poedelnaakt zwemmend met een kabel. Hoge SS-ers waren er bij de voltooiïng van het project aanwezig. Stram en klep voor de ogen. “ Fabelhaft, Mensch. “

Toen het kabelproject was voltooid kwam ik bij de Gärtnerei. Zonovergoten wilden de tomaten in de zomer van ‘44 goed rijpen.

Schop over de schouder marcherend zongen we ‘s avonds :”Wij vraten tomáááten. En de hele Gärtnerei heeft nu de schijterij”.

Maar het werk was ontspannend. We konden rustig de laatste geruchten uitwisselen over de geallieerde opmars. En bespraken wat er na de oorlog moest gebeuren. Een Brabants boertje, ondernemer van een bodedienst met paard en wagen, had voor de tuinderij toegang tot de buitenzìne van het kamp. Hij werd onze liaison-officer. Kortom, ik bleef opgewekt wachten op de naderende bevrijding. Maar op de laatste donderdag van augustus werd “Häftling 10894, namen Mertens” op het werk opgehaald. Voor opnieuw verhoor door de SD. Uit Scheveningen was mijn Sachbearbeiter inmiddels geëvacueerd naar een barak buiten het prikkeldraad als nieuw kantoor voor de SD. Het gesprek begon quasi ontspannen. Sie sehen ja gut aus. Waarna de secretaresse :”Es wäre doch Schade ihn jetzt kaput zu machen. “ Ik keek haar begripvol aan. Daarna weer mijn Sachbearbeiter: “Ihre Sache hat sich geändert. Sie gehören wohl zu einer Widerstandsgruppe. Kennen Sie denn die Brüder Mobach?”.

In een flits werd het me duidelijk. Er waren leden van De Nieuwsbode gearresteerd. Ik vroeg de naam te herhalen. Mobach?

Nein, kenne ich nicht. Sogar den Namen nie gehört. De ondervrager keek me indringend aan. Dat duurde seconden. Toen had ik een inval.

Met een Aha-Erlebnis zei ik: als einer dieser Moobaks een student is, die zich van de schuilnaam Frederiks bedient, dan ken ik hem wel. De Sachbearbeiter bladerde door het dossier. Nee, het signalement klopte niet. Maar U had toch die krant bij U? Ik gaf te kennen absoluut niet te begrijpen waar het over ging. De man wist toch, dat ik bij arrestatie geen Nieuwsbode bij me had. Het verhoor zou worden voortgezet. Nächste Woche. Zolang moest ik wel naar een cel, de “bunker”, om sofort zur Verfügung te zijn. Ik zei, dat mijn barak vlak bij de zijne was.

En de secretaresse viel me bij: ”Laat hem toch nog wat van het mooie weer genieten. Er sieht ja gut aus. “

Zo keerde ik terug naar Block 14.

De volgende dag vroeg een medegevangene uit de Gärtnerei, Utrechts gynaecoloog en prominent ex-gijzelaar uit Haren, mij waarom ik was weggeroepen. Ik nam hem in vertrouwen. Een wat oudere man, die eerder een betrouwbare indruk op me had gemaakt. Hij adviseerde me: je moet hier weg, vluchten. En hier uit het buitencommando kan dat misschien wel. We moeten samen een plan maken. Maar op maandag, dat was 4 september, moest ons buitencommando binnen blijven. De geallieerden waren opgerukt tot Eindhoven. Kennelijke paniek bij de SS. Voor het verder verhoor werd ik niet meer opgeroepen. Ik hoorde niet ver van het kamp het doffe kanongebulder. Over enkele uren zou ik worden bevrijd. Maar op dinsdag 5 september werden we in groepen per Block de poort uit gejaagd. Nerveuze SS-ers met honden dreven ons naar een trein op het spoorlijntje, dat eerder door de gevangenen zelf was aangelegd: Bahnhof KZ-Herzogenbusch. Met 80 man per veewagon ging ik op reis naar Sachsenhausen-Oranienburg.


***

In elke veewagon konden veertig man zitten en veertig man staan.

Snel hadden we de verdeling gemaakt. Om en om, elke groep een uur. En verder ook rouleren voor de ventilatieroosters. Alle behoeften uitsluitend in één hoek. Het duurde uren voor de trein vertrok. Niet ver weg hoorde ik schoten. Salvo’s en droge losse. Nekschoten concludeerden we. Kennelijk werd de “bunker” opgeruimd. Want niemand uit de bunker was bij ons in de wagon gekomen. De schuifdeuren in het midden van de wagon werden vergrendeld en eindelijk ging de trein op weg. Er werd veel gerangeerd en toen we na vele uren weerstil stonden en de deuren door een SS-er werden geopend om ons wat water en lucht te geven stonden we pas bij Venlo. Een reisgenoot, bekend radiozanger, ging in de geopende deuren staan en zong: ”Ik hou van Holland, met z’n duinen en z’n zee..” Een emotioneel begin van een transport, dat vier dagen en drie nachten duurde. Om te eindigen in Sachsenhausen. Voor mij werd duidelijk: in het Reich was het een chaos. Aangekomen in Oranienburg werden we in looppas – sack, sack, Mensch, los, los – begeleid door SS-ers met honden naar het concentratiekamp gebracht. De horde gevangenen met een streepjespak in looppas had veel bekijks. Maar van de gezichten viel te lezen, dat men het niet wilde of durfde zien. Ik vroeg me al dravend af er in het Reich een tamtam zou werken.

Bij het binnenkomen van het kamp met een poort van dezelfde KZ-architectuur als Vught, maar groter, trof me de aanbevelingstekst. In losse bronzen letters en gekalkt op de in een ruime boog rond de appélplaats geplaatste barakken:

Es gibt nur einen Weg zur Freiheit. . . . Arbeit, Pflicht, Mut und. . . Liebe zum Vaterland.
Ik dacht die Moffen zijn toch echt schizofreen om buitenlandse politieke gevangenen vaderlandsliefde te adviseren om vrij te komen. De werkelijkheid werd gesymboliseerd door een vlak bij de poort opgestelde galg. Mijn gevoel van onbehagen werd versterkt toen we spoedig na aankomst een grote fabriekshal waren ingejaagd. Een lege ruimte met sproeikoppen als van een sprenkelinstallatie. Ik moest mijn kleren uitdoen en afgeven wat ik nog bij me had. Zou ik worden vergast? Bij geruchte had ik in Vught gehoord, dat dit in Duitsland gebeurde. Het viel mee. Ik werd van top tot teen kaal geschoren en kreeg een nieuw streepjespak met een nieuw nummer: 98863.

Met daarvoor een rode driehoek en een daarin uitgespaarde H. Holländer, politiek gevangene. Blijkbaar bijna de honderdduizendste. De barakken vol en ik werd opnieuw in een provisorisch ingerichte fabriekshal gebracht. Slapen op de grond. Maar daarvan kwam niet veel, want luchtalarm dreef gevangenen en bewakers naar buiten. Snel in het donker Spittergruben induiken. Het geluid van de bommen en het afweergeschut bracht bij mij die nacht met Van Bever in Eindhoven in herinnering. Maar ik was niet meer bang. Het gevoel, dat de bevrijding nu echt niet meer lang op zich zou laten wachten was gaan overheersen.

Al na een paar dagen verblijf in de Heinkel-hal, die als overstort werd gebruikt voor het propvolle kamp – de Duitsers trokken niet alleen hun troepen terug, maar ook hun gevangenen  werd mij, 98863, toegeblaft, dat ik was ingedeeld bij een groep van 500 gevangenen voor het “ Auszenkommando” Rathenow. Een soort subkamp van het “Schutzhaftlager” Sachsenhausen: 70 km westelijk van Berlijn.

(wikimedia)


***

Dat zou het zijn. Of beter: moeten worden. Toen we na wederom een transport in veewagons en een paar kilometer te voet in looppas en weer begeleid door SS-ers met honden bij ons nieuwe kamp waren aangekomen, bleek het een kennelijk kort tevoren gemaaid korenveld te zijn. Natuurlijk wel reeds afgezet met de gebruikelijke dubbele prikkeldraad omheining, wachttorens en schijnwerpers. Verder een stuk of tien barakken, her en der over de akker verspreid. En buiten de omheining een betere opstal, kennelijk bedoeld voor de “Lagerführer”, de kampcommandant, en zijn manschappen. Hier wat oudere SS-ers. Als voorman van de gevangenen, als “Lageralteste”, wees de kampcommandant een Duitse “Rotwinkel” aan, die in de Spaanse burgeroorlog als communist tegen Franco had gevochten. Een uitzondering, want als capo’s werden verder geen politieke gevangenenaangewezen, maar alleen “Grünwinkel”, Duitse beroepsmisdadigers, die geen rood maar een groen driehoekje voor hun nummer moesten dragen. Deze werden de leiders van de gevangenen per barak. Grotendeels beulen, die weinig voor de SS-bewakers onderdeden. De 500 gevangenen, waaronder rond de 250 Nederlanders uit Vught en ook vrij veel Belgen, die de Duitsers bij de geallieerde opmars uit KZ Breendonck eerder naar Vught hadden overgebracht, werden verdeeld in een “Arbeitskommando” van zo’n 450 en een “Lagerkommando” van de rest.

De eersten moesten na het appél in de vroege ochtend naar de Arado Flugzeugwerke om vleugels te maken voor de  – toen al – eerste Duitse straaljagers. Düsenjäger, Mensch. Geheime Waffe. Het Lagerkommandokreeg tot taak van het korenveld een kamp te maken. Ik werd ingedeeld in het Lagerkommando.

Het Lagerkommando legde wegen aan tussen de barakken en naar de appélplaats. Alles werd omgespit en gedeeltelijk verhard. Verder kwam er in een barak een waslokaal en in andere een keuken, een “Schreibstube” voor de Lagerälteste en zijn personeel – een secretaris, een kapper, een kleermaker(!), een tolk en een loopjongen en tenslotte werd een barak provisorisch ingericht als “Revier”, als ziekenzaal. Onder de gevangenen hadden we een arts, maar capovan ons ziekenhuisje werd een Grünwinkel. Toen het kamp min of meerbewoonbaar was geworden heb ik dagenlang met drie medegevangenen dikke eikebomen in plakken gezaagd en gekloofd. Voor de komende winter moest er brandstof zijn. Om te stoken in de ijzeren kachels in de barakken. Zwaar werk, maar in Vught was ik goede conditie gekomen. Door gebrek aan eten nam die overigens wel af. Toch werd er nog gelachen. Bij voorbeeld toen de Lagerführer had verboden door de omgespitte grond rond de barakken te lopen. De Belgische tolk vertaalde:
”Et is verboden van te lopen door het gehakt”.


Na enige weken was het kamp in de ogen van de Lagerführer zo ver voltooid, dat het Lagerkommando als Baukommmando kon worden opgeheven. Behalve de Schreiber een redacteur van Het Vrije Volk, de krant van de SDAP en de genoemde overige Prominenten zoals de kok, de tolk en de kapper, moest iedere gevangene dagelijks naar de Arado-Flugzeugwerke. Ook voor mij betekende dat ‘s morgens om vijf uur opstaan. En dan eindeloos op de appelplaats staan. “Mit fünf, auf den Vordermann. Abstand! Nein, hier spielt die Musik! Das Ganze stillgestanden. Mütze ab! Mütze auf. Rührt euch. “ En dan opnieuw.

In de fabriekshal aangekomen moest ik op een stelling staande met een twintigtal medegevangenen op maat gesneden aluminiumplaten op verticaal geplaatste metalen ribben vastklinken om er de vleugels van de straaljagers van te maken. Dat Hitler en zijn staf aan het einde van de oorlog echt schizofreen waren bleek opnieuw. Politieke gevangenen de produktie van geavanceerde wapens toevertrouwen. bij de eerste aluminiumplaten bleken deze te klein, zodat kieren ontstonden tussen de ribben en de platen. De schuldigen werden gestraft. Dus maakten knippers vervolgens de platen te groot. Met als gevolg, dat mijn ploeg die wel bol gespannen moest vastklinken. Toen ook dat op straf was uitgelopen bedachten we iets anders. Voordat de laatste plaat aan het vleugeleinde werd dichtgeklonken stopten we in de punt een aantal ijzeren blokken, die bij het klinken met de “nietmachine” achter de platen moesten worden gehouden. Het vliegveldje voor proefvluchten lag vlak bij het kamp. Zo konden we met voldoening zien hoe de eerste “Düsenjäger”, die de lucht zou in gaan, onmiddellijk na de start kapseisde. Het werd een nog veel mooier nummer, toen gevangenen de rode, witte, groene en blauwe draden in de vleugels hadden verwisseld. Bij de proefvlucht schoot het toestel bijna verticaal omhoog en kwam even snel omlaag.
Toch zou Hitler’s plaatsvervanger met een Arado later Berlijn zijn ontvlucht.


Het leven in het kamp werd geleidelijk beroerder. Steeds minder te eten en het begin van een winter met extreem lage temperaturen. Vroeg in de donkere morgen eindeloos op het appél, beschenen door de lampen in de omheining. Half slapend, Mütze ab, Mütze auf. Te dun gekleed in zebrapak en moe van het staan in de fabriek.

’s Avonds weer in de duisternis met een ijzeren pannetje wachten in een lange rij. Om het gevuld te krijgen met de dagelijkse koolsoep. Behalve die keer dat de kampleiding via de fabriek een groot houten vat met bremzout viskuit had georganiseerd.

Elke morgen was er de spanning of er nummers werden toegeschreeuwd. Dat waren dan meestal de gevangenen die als Arbeitsunfähig werden beschouwd als gevolg van de ondervoeding en uitputting. Aan het eind van iedere week kwam er een vrachtwagen om hen af te voeren naar het Hauptlager in Sachsenhausen, voor herstel. Maar zij kwamen nooit terug.


***

Half bewust en half onderbewust drong het tot me door, dat het verblijf achter prikkeldraad een zaak van overleven werd. De oorlog duurde lang en de gevangenschap ook. De iedere nacht hoog boven het kamp brommende bommenwerpers, op weg naar Berlijn, gaven hoop op bevrijding. Maar het aantal gevangenen, dat rillend van de koude en ellende te lang boven de balk in het “Abort” bleef hangen een half open schuurtje met een kuil om daarin de diarree kwijt te raken nam zienderogen toe. Zo kwam ook ik in het “Revier”, de ziekenbarak. Dysenterie en hoge koorts. Drie dagen drie maal zes tabletten Dagenan. Een wonder, dat dit moderne geneesmiddel er was. Want verder waren er slechts rollen vloeipapier om de open wonden van de gevangenen met hongeroedeem te deppen. Mijn koorts liep op tot boven de 40. Ik hoorde onafgebroken een berceuse voor viool. Maar de vierde dag stond ik weer buiten op het appél bij min 17.

Arbeitsfähig, daar ging het om. Niet op de vrachtauto naar Sachsenhausen. Daarop verdwenen wel de “Bibelforscher”, de Jehova’s getuigen, nadat ze door de Unterlagerführer – het prototype van een sadist, vadsige SS-er met een zorgvulgig geschilde eikenstok – half dood waren geknuppeld. “Laufschritt, hinlegen, aufstehen, hinlegen und aufstehen”. Uit de drang tot overleven wellicht kwam voort, dat ik me voor allerlei klusjes als vrijwilliger meldde. Dan viel je op in de menigte. Aardappels schillen in de keuken: de aardappels voor de SS, de schillen voor onze soep. Nachtwacht lopen tegen diefstal van andermans broodkorst, gespaard voor diens ontbijt. En tegen de ondanks uitputting nog altijd praktizerende “Rosawinkel” en hun capo-vrienden. Tegen pogingen tot suicide ook. Kortom, ik werd een semi-prominent. En omdat de Lagerälteste had gezien, dat ik wat tekenen kon volgde overplaatsing naar het kampcommando. Benoemd tot stoker, “Heizer”, en doodgraver. Voor de medegevangenen, die overleden kort na het vertrek van de wekelijkse vrachtauto.

Ik kreeg een plaats in de barak, waarin de “Schreibstube” was ondergebracht, om rustig te kunnen tekenen. De ijdele Lagerälteste, de Spanje-veteraan, wilde zijn concentratiekamp-carriëre in beeld zien. Verder karikaturen van de capo’s, de “prominenten” en de muzelmannen: de gevangenen, meest intellectuelen, die overal in de kampsamenleving zich niet aan de omstandigheden wisten aan te passen. Maar het was ook of je buiten de aarde op een vreemde planeet leefde. Ik had geen moeite om de slachtoffers van mijn tekendrift tot medewerking bereid te vinden. Geen wonder: zij werden daarvoor even uit de dagelijkse sleur gehaald. Maar overigens moest ik wel het werk van stoker en doodgraver doen. Als stoker hield dat ook in het schoonmaken van de SS-barak. Daar kon ik met de Lagerführer, anti-communist en fanaat jazz-liefhebber, naar de Engelse zender luisteren. En briketten stelen voor ons eigen kacheltje in de Schreibstube. Mee naar het kamp in een emmer vuil water. Bij de poort pink langs de naad van de broek: “Der Häftling 98863 meldet sich.”

Tijdens het Ardennenoffensief in januari ‘45 riep een oudere SS-er aan de poort me toe: “Denkst wohl der Krieg ist bald vorüber, aber noch lange nicht!” Toen wilde hij mij – met emmer! – schoppen. En gleed door bevroren grond op zijn achterste.


Als doodgraver moest ik allereerst het gewicht van de overledene vaststellen. Een boordwerktuigkundige van de KLM, die ik me van foto’s van de bemanning van de Uiver of Pelikaan als een opvallend forse man herinnerde, woog nog slechts 40 kilo. Zo konden er in de enige kist waarover het kamp beschikte telkens drie overledenen tegelijk naar de gemeentelijke begraafplaats worden gebracht. Dat betekende kilometers lopen. Een spekglad bevroren pad leidde naar de top van de heuvel waar rond een kerkje de graven lagen. Met pikhouwelen een groeve hakken en dan één, twee, hup een stoffelijk overschot van de schouders af in de kuil kieperen. Een ouder Duits echtpaar, wellicht op weg naar een familiegraf, bekeek het absurde tafereel heimelijk van achter een paar coniferen. Gevangenen in zebrapak en SS-ers met honden. Toen we het tweede ontklede lijk uit de kist in de kuil lieten vallen, zei de vrouw voor mij hoorbaar: “Um Gottes willen, Anton, noch einer.” En toen we onze derde overleden medegevangene uit de kist lieten glijden viel de vrouw in de armen van Anton in zwijm. Nichts gewuszt.


Januari, februari, maart – het werd echt een zaak van overleven. Ook al tekende ik voor de Lagerälteste nog zo schijnbaar gedreven en al wist ik geleidelijk de weg op de KZ-planeet redelijk te vinden, de voeding was totaal onvoldoende. Buitenlanders, de Tsjechen, de Polen, de Russen, de Belgen kregen nog wel af en toe een voedselpakket. Het Nederlandse Rode Kruis wist ons niet te vinden. Ook geen correspondentie dus met “het thuisfront”.

De norm van 500 gevangenen voor het Auszenkommando Rathenow werd nooit meer bereikt. Van de circa 250 Nederlandse gevangenen uit Vught waren er nog maar een goede honderd overgebleven. De aanvoer van ongeveer 100 Poolse joden – zij zagen er goed doorvoed en prominent uit – veranderde weinig aan de situatie. Zij werden kort na aankomst weer afgevoerd met onbekende bestemming.
Ellende dus.

Maar ik bleef met al die geallieerde bommenwerpers in de lucht hopen op spoedige bevrijding. Vooral ook, toen ik in de verte het gedempte geluid van voortdurend actief geallieerd kanongeschut kon horen.

Op 14 april 1945 trokken de Amerikanen over de Elbe.

Bevrijding-, want Rathenow lag slechts een paar kilometer verder. Maar de Amerikanen gingen weer terug naar ten Westen van de Elbe. We moesten wachten tot de in vertraging geraakte generaal Zjoekov om Berlijn was heen getrokken. Op 24 april was het zo ver, dat de SS-bewaking van het kamp het hazenpad koos in een poging om, voor de Russen uit, zich nog aan de andere kant van de Elbe te kunnen overgeven aan de Amerikanen.

Wij besloten binnen het prikkeldraad te blijven. Mijn taak werd het om de laatste levensmiddelen in de kampkeuken te bewaken tegen diefstal door medegevangenen. Ik zat op het houten trapje voor de keukendeur. Donkere nacht en links en rechts het schieten van Duitsers en Russen. Ik hoorde tok, tok kogels slaan in een houten paal naast mij. Maar goed, de bevrijding was kennelijk nabij.

Het werd de dag van mijn verjaardag, 26 april.

Toen klom één Russische verkenner over het hekwerk, keek verbijsterd rond en werd door uitgemergelde gevangenen met tranen in de ogen op de schouders rond gedragen.


***

Eindelijk dus bevrijd, als in een droom. Maar nog ver van huis. Het kamp bleef in de frontlijn liggen. Duitse legerkorpsen ingeklemd tussen de Elbe en haar zijrivier de Havel, tussen de Amerikanen en de Russen, boden met de moed der wanhoop hardnekkige tegenstand. Zij hadden in het Haveland de laatse reserves verzameld. In een gebied van talrijke landadel, die Hitler zijn “Von”-generaals had geleverd. Het geluid van Stalinorgels en ander geschut, mortiers en kanonnen, bleven dan ook onafgebroken doorklinken.

Els eerste besloten de Duitse kapo’s het kamp te verlaten. Velen van hen zouden spoedig worden doodgeschoten door de Russen als vijandelijke Duitser of door landgenoten als verrader.

In het kamp ontbrak van toen af elke organisatie. Samen met een student uit Leiden besloot ik op weg naar huis te gaan. Domweg richting zonsondergang. Wij zagen kampgenoten in een boerenschuur nabij het kamp, waar een buffervoorraad suiker was opgeslagen zich letterlijk doodeten. Boven in de hanenbalken zat de boer, die besefte dat zijn laatste uur geslagen had.

Wij hoorden dat een kampgenoot, die wegens de bevrijding van verzetstrijders uit Nederlandse gevangenissen, al tweemaal ter dood was veroordeeld, maar uitgemergeld de komst van de Russen had gehaald, in elkaar was gestort en gestorven. We zagen Duitse tanks, waaruit de dode lichamen van soldaten hingen. Het werd de vraag of we ’s morgens in Russisch of in Duits gebied zouden wakker worden. Ook daarom waren we blij op een kinderwagenonderstel een mitrailleur te vinden. Die sleepten we door de bossen met ons mee. Links en rechts werd er voortdurend geschoten. Toen we uitgeput in een verlaten boerderij – veel Duitsers waren naar het Westen gevlucht – de nacht hadden doorgebracht, bleek ons ’s morgens dat de granaten dwars door de muren waren geslagen. Ik had het niet gehoord.

Russische soldaten gaven alle gevangenen uit het Westen en ook de Nederlanders, die via de Arbeitseinsatz in Berlijn en omstreken hadden gewerkt, opdracht in de richting van Schönhausen te lopen. De wegen daarheen waren echter overvol. De chaotische mengeling van Russen, vluchtende Duitse vrouwen en kinderen. Duitse krijgsgevangenen en terugkerende dwangarbeiders. De oorlog duurde voort, overal werd geschoten, Pantervoertuigen, keukenwagens, boerenkarren, zelfs een Russische eenheid met kamelen en muildieren. Cavallerie, donkere kleine soldaten op tengere paardjes, die zo uit de Kirgiezen leken te komen. Mijn reisgezel en ik besloten de chaos op de weg naar Schönhauisen te ontvluchten en eerst meer naar het Zuiden te koersen. In de buurt van Sydow hield een Rus ons aan. Hij bracht ons naar de tent van zijn commandant. In feite was zo’n legertent een soort zitkuil met daarboven een puntdak van zeil.

De kolonel sprak redelijk Duits en zijn adjudant Frans. Zij waren vriendelijk en de kolonel bood ons uit een karaf een borrel aan. Die brandde door mijn keel. Onze gastheer schonk zichzelf prompt nog twee keer in. Ik keek met verwondering toe. Van het gezicht van de kolonel viel ook enige verbazing te lezen. Bij zijn vierde glas wilden we niet weigeren. Toen bleek ons, dat er twee gelijke karaffen op de lage tafel stonden. De tweede gevuld met water. Onze gastheer had de bijna pure alcohol met wat glazen water al keurig weggespoeld.

De kolonel legde ons uit, dat de oorlog nog wel een tijdje kon duren. In het Havelland zou de geconcentreerde SS een soort guerrilla gaan voeren. Voorlopig zou er voor de Nederlanders geen kans zijn om over de Elbe te komen. Maar hij had voor ons beiden, kameraden, een aardig idee.

Hij benoemde ons ter plekke tot officier in buitengewone dienst. We kregen wat uniform. Ik een tenue met een grote vierkante ster op de schouder en een Astrakan hoofddeksel. Ook kregen we, om ons snel te kunnen verplaatsen, een wagentje met een paard ter beschikking. Der ervaring in het circus Van Bever kwam mij nu goed van pas.

De opdracht van de kolonel was, selecteren. De horden Nederlanders en Belgen die naar het Westen trokken – al dan niet vrijwillig arbeider in Duitse dienst geweest – werden veelal vergezeld door Duitse vrouwen. Echte in de oorlog verkregen vriendinnen of gelegenheidsvriendinnen die slechts naar het Westen wilden. Alle vrouwen verklaarden Nederlandse te zijn, maar hadden geen ‘bomaha’ papieren om dat te bewijzen bij zich. Door de oorlog verloren gegaan, verstehen sie. In de brandende zon plaatsten wij aan de rand van de vluchtwegen hier en dan daar een tafeltje met twee stoelen daarachter. Paard en wagen vlak bij ons. “Ausweis!, ‘bomaha!’”.

Als de papieren verloren waren gegaan vroegen we de vrouwen die voorgaven Nederlandse te zijn naar de plaats van herkomst. Ensjede en Arnheim zei ons genoeg. Dan stelden we de man de vraag of hij alleen terug wilde over de Elbe of bij zijn vrouw wilde blijven. De instructie van de kolonel was dat dan ook de man in het Westen moest blijven. Om net zo lang te werken als hij bij de Duitsers had gedaan.


Mijn rolwisseling van politieke gevangene in lid van de bezettende macht was als vanzelf gegaan. Ik haatte niemand, maar handelde naar de omstandigheden. De oorlog eindigde in feite niet op 3 of 5 mei.

Ten Oosten van de Elbe ging het vechten nog weken door.

Duitsers hadden door dat ik geen Rus was en kwamen voor dag en dauw boter en andere levensmiddelen aanbieden om gunsten te verkrijgen. Maar de Russische keuken was goed. Kalkoenen en asperges waren er in overvloed. In de kelders van de kastelen der gevluchte jonkers lagen voorraden om nog tien jaar oorlog te kunnen voeren. Naast de lange rijen weckflessen met Gänsekuele zelfs honderden tubes tandpasta. Kortom, ik had te tijd van mijn leven, maar wilde wel naar huis Op 8 juni meldde ik mij af er werd met een Russische vrachtauto naar Magdeburg gebracht.

De Amerikanen namen me over en vervoerden mij naar Halle bij Leipzig. Intuïtief had ik mijn Russische uniform achter gelaten Ook nog de fraaie Hollandse militaire rijbroek plus puti’s, die ik in Brandenburg had gevonden. Maar mijn gevangenisjasje, buitenmodel, sleepte ik als een soort bewijsstuk mee. De Amerikanen gaven me een DP-kaart. Displaced Person. \

Een Amerikaanse sergeant maakte een grapje dat ik ook al in Sachsenhausen en Vught had gehoord. Is er bij jullie ook een opticiën, een brillenmaker? De stommeling die “ja” zei kreeg te horen dat hij de toiletten kon reinigen. Het viel me van die sergeant ook bar tegen om ons zo te benaderen.

De captain van het vliegtuig dat mij de volgende dag naar Eindhoven moest brengen was behoorlijk aangeschoten. Met 25 man zaten we op de vloer en op houten banken. Waarschijnlijk voor parachutisten geweest. In de cabine waren grote reservetanks geplaatst. De rest van de bemanning ging daarop zijn roes uitslapen. Tegelijk met ons toestel ging een vliegtuig met, na later bleek, ongeveer 25 joden de lucht in. Eveneens via Halle waren zei uit Theresienstadt op weg naar huis. Toen onze kist op hoogte lag kreeg onze piloot er aardigheid in om met zijn collega te gaan spelen. Toestel wat laten stijgen, naar bakboord vliegen en over het andere toestel vlak daarnaast weer laten zakken. Onafgebroken proberen met je vleugels net niet die van de andere kist te raken.

Na een tijdje zo onderweg te zijn draaide de captain zich in zijn stoel half naar ons om en vroeg, “You want to see the Ruhr?” In de euforie van het naar huis vliegen brulde de cabine boven het geronk van de motoren uit “Yeah!”. Prompt daarop zaten we in een duikvlucht. Zo moeten de vliegers gebombardeerd hebben, dacht ik. Op niet veel meer dan honderd meter vliegend boven het Ruhrgebied zag ik de puinhopen. Ruïnes van fabrieken, spoorwegemplacementen met omhoog stekende restanten van rails en plat gegooide woonwijken. Het was indrukwekkend te zien hoe grondig Hitler zijn oorlog had verloren.

Op een lap grond bij Eindhoven werden we op de grond gezet. Nauwelijks waren we uitgestapt of de captain riep ons “All the best” toe en startte voor de terugvlucht. Naast ons zaten de Joden uit Theresiënstadt in het gras. Samen wachtend op de ontvangst in het Vaderland. Er kwam echter niemand naar ons toe. Tot we na ongeveer een uur aan de horizon iemand bij een houten loodsje op een fiets zagen vertrekken.

De man reed naar ons toe, stapte af, nam zijn dienstrijwiel met gestrekte arm bij het stuur en zei in alle ernst: “Douane, dames en heren. Hebt u iets aan te geven?”. Terug van ver weg geweest. Ik was echt weer in Nederland. Niet veranderd.

We werden ondergebracht in een veengebouw van Philips, omringd met prikkeldraad. Omdat ik van de joden had gehoord dat zij vlektyfus hadden, vroeg in aan de repatriëringsambtenaar of ons groepje gescheiden kon worden gehouden. Was niet nodig, werd er geantwoord. Toen even later een arts kwam vertellen dat hij helaas een besmettelijke ziekte had geconstateerd en dat we allen voorlopig in quarantaine moesten blijven, had ik er genoeg van. Ik wilde naar huis, naar Cuniera, van wie ik het fotootje niet meer kon vinden. En naar mijn ouders van wie ik niet eens wist of zij nog leefden.

Op het prikkeldraad hier stond per slot van rekening geen stroom. Wat hield me nog tegen? Samen met een jongen uit Zwolle klom ik over het hoge hekwerk. Voor hem bleek er een afhaler en ik liftte mee. Zo kwam ik terug in het huis, geschetst in het begin. Zag eindelijk mijn ouders en spoedig ook Cuniera terug.
Op een perkamenten rol had ik eerder gotisch geschreven: “Etiam hoc transibit”. De rol hing hoog in de hal. Mijn vader klom geëmotioneerd op een trap en kraste de “b” door.

De ellende was voorbij.

Tonn Mertens (1921-2003)

Voor mijn kleinkinderen, 1995

***


Etiam hoc transibit

Op weg naar huis…

***